dinsdag, december 19, 2006

De waarnemingstheorie van Gibson

Gibson gaat ervan uit dat perceptuele systemen zich gedurende de evolutie hebben aangepast aan omgevingsfactoren. De anatomie van het oog kan tussen verschillende diersoorten verschillen, terwijl toch van dezelfde functie gesproken kan worden. Hiermee is aangetoond dat het beeld op de retina niet de basis van de perceptie kan vormen. Niet de stimulus op het netvlies, maar de optic array (het licht dat om ons heen is en waarin we ons bewegen) staat centraal. Zien is nooit een kwestie van alleen maar registreren. Het is de reactie van het hele organisme op de licht- mozaïeken die de achterwand van onze ogen prikkelen. Het netvlies reageert niet op individuele lichtprikkels, maar op hun onderlinge betrekkingen (Gombrich, 1960, p.255).
De organisme-omgevingsrelatie wordt daarmee de relevante variabele in de perceptie. Perceptuele systemen zijn volgens Gibson exploratieve organen, waarmee het organisme zich aanpast aan zijn omgeving. Deze gedachtengang komt uit het functionalisme, dat ervan uitgaat dat er door het organisme nooit passief wordt waargenomen, maar dat de informatie die van overlevingsbelang is, actief verworven wordt en niet passief wordt ondergaan.
Met andere woorden in het waarnemen organiseer je licht.
Het onderscheid tussen subjectief en objectief in de representationele theorieen wordt door Gibson aangevochten. Gibson stelt dat perceptie aan de cognitie voorafgaan en daardoor objectieve kennis van de wereld bezit. In plaats van een snelle opeenvolging van aparte stimuli, baadt het organisme in een zee van licht (optic array).
Dat licht is opgebouwd uit contrasten en oppervlakten, gradiënten en dergelijke.
Invarianties zijn de onderliggende structuur van de optic array, die constant blijven onder veranderingen in belichting, observatiepost en lokale verstoringen. Dit heeft als consequentie dat de primaire (fysische) kwaliteiten van het licht de voorrang moeten hebben boven de geconstrueerde mentale representaties, die slechts subjectief zijn (Looren de Jong, 1991). Gibson introduceert dan het theoretische alternatief van de realistische, objectieve (veridical) waarneming van ecologisch relevante objecten (affordances).
Affordances zijn bruikbaarheden: datgene wat de omgeving verschaft. De dingen worden waargenomen in termen van handelingsmogelijkheden. Deze affordances liggen tussen de objectieve aspecten van de werkelijkheid en de subjectieve aspecten van de waarnemer. Het zijn de invarianties die voor het organisme van overlevingsbelang zijn.


H. Looren de Jong: De ecologische psychologie en haar critici.
Ned.Tijdschr. voor de psychologie, 46 (1991), 275-289

dinsdag, oktober 31, 2006

Verschillen tussen Naturalisme en Realisme

In het vorige hoofdstuk heb ik beweerd, dat het Naturalisme niet als een echte stroming in de westerse kunstgeschiedenis te onderscheiden is. Ook realisten gebruiken in hun schilderijen naturalistische elementen om hun verhaal sterker te laten uitkomen. Toch heeft het naturalistische schilderen m.i. haar voorlopige hoogtepunt bereikt in het Impressionisme. We kunnen bij wijze van gedachtenexperiment een vergelijking maken tussen het realisme en het naturalisme door bijvoorbeeld een schilderij van Rembrandt te vergelijken met een van Monet (plaatje hiernaast: Rouen Cathedral, West Facade, Sunlight, 1894).
Ik beschouw Rembrandt als een realist, die bepaald geen fijnschilder was en in de details prachtig naturalistisch schilderde.
Toch geeft het eindresultaat van zijn schilderijen de realistische weergave van de taferelen die hij waarschijnlijk voor ogen had.

Het gaat hier meer om mijn onderscheid tussen realisme en naturalisme te verduidelijken dan om een kunsthistorisch bewijs te leveren.
Als je de bijvoorbeeld De Nachtwacht vergelijkt met het schilderij van Monet dan zou je de volgende (voorlopige) verschillen kunnen constateren:
Realisme
topdown
maken
figuratief
subjectief
vaste vorm
vorm en licht

structuur van de verf speelt geen rol
lineair perspectief
Gombrich
Naturalisme
bottom-up
namaken, matching, mimesis
abstract
objectief
loslaten van de vorm
uitsluitend eigenschappen van het licht
structuur van de verf speelt grote rol
kleurperspectief
hyperbool perspectief (Charles Wildevuur)
Gibson
Dit zijn voorlopig de verschillend aspecten die volgens mij aan te geven zijn en waar ik gedurende dit weblog nog uitgebreid op terug zal komen. Ik heb geprobeerd om geen voorkeur te suggereren voor één van beide richtingen (ik vind Rembrandt een even groot kunstenaar als Monet), omdat ik uiteindelijk n.a.v. deze onderscheidingen wil aantonen dat er een grammatica van de beeldtaal te schrijven is door het schilderkundige beeld te analyseren naar filosofische, psychologische en kunsthistorische aspecten.