donderdag, oktober 19, 2006

Hoe realistisch is het Realisme?

In het Realisme speelt de "echtheidservaring" een belangrijke rol.
In die zin kan een karikatuur ook een echtheidsreactie oproepen:
"Ja dat is hem/haar precies!", terwijl er geen lijn met de werkelijkheid hoeft overeen te komen. Dit betekent dat we altijd vanuit een schema de werkelijkheid benaderen.
Ook bij een realistisch geschilderd schilderij komt geen enkele verfstreek overeen met de werkelijkheid. Toch roept een goed geschilderd schilderij het gevoel van echtheid op.
Waardoor worden we getriggerd?

Volgens Gombrich (1960) was in de loop van de ontwikkeling van de westerse schilderkunst eerder sprake van het voortzetten van schildersprincipes waarmee voorgangers in de schilderkunst bezig waren dan van het verscherpen van de waarneming. Gedurende de geschiedenis van de schilderkunst hebben schema's van representaties in de westese kunst (van de Grieken tot het Impressionisme) zich steed genuanceerder ontwikkeld. Deze schema's hebben veel invloed op de volgende kunstenaarsgeneraties. Er is dus sprake van een evolutionair cultureel proces.
De werkelijkheid is echter te rijk en te veelzijdig, zodat het onmogelijk is dat imitatie en observatie alleen tot een geslaagde weergave van de werkelijkheid hadden kunnen leiden.
Zelfs de meest naturalistische kunst is in principe conceptueel en er wordt gebruik gemaakt van schema's die worden gemodificeerd en aangepast (matching), totdat een bevredigende overeenkomst met de waarneembare wereld ontstaat. Op den duur krijgen deze schema's zo'n zeggingskracht dat ze voor de toeschouwer volledig overtuigend worden (Gombrich, 1982, p.78). Er wordt als het ware een beeldtaal ontwikkeld, die op den duur door iedereen verstaan wordt.
Met andere woorden: het realisme in de beeldende kunst is een proces van schema' s geweest, die met het Impressionisme zijn voorlopige hoogtepunt heeft bereikt.
Gombrich (1982, pag.27) stelt dat de impressionistische schilders het publiek zelfs leerden zien: men ontdekte dat schaduwen ook in de werkelijkheid niet zwart zijn, maar wel degelijk kleuren bezitten. Zo herkennen we ook schilderij-aspecten in de wereld.
Een landschap wordt ''pittoreske'' omdat de schilder dit landschap als onderwerp van zijn schilderen heeft gemaakt. We kunnen de werkelijkheid onbewust herkennen, zonder deze bewust te onthouden (Gombrich, 1982, p.39). Er ontstaat op deze manier een wisselwerking tussen de kunstenaar en het publiek, waarbij de kunstenaar het publiek altijd een stap voor blijft.
Deze geconstrueerde schema's, die in de loop der tijd in wisselwerking tussen kunstenaar en toeschouwer tot stand komen, kunnen verantwoordelijk worden gesteld voor het steeds beter weergeven van de werkelijkheid.
Waarnemen blijkt, naast een aantal aangeboren aspecten, vooral een leerproces te zijn; dat geldt voor het individu, maar ook voor de hele cultuur.

Gombrich E.H.: Art & Illusion. Phaidon, 1960
The Image and the Eye. Phaidon, 1982

dinsdag, mei 02, 2006

Het Realisme in de filosofie

Voordat ik op het Realisme in de filosofie verder inga, moet ik eerst uitleggen wat onder een feit verstaan wordt.
Wittgenstein zegt in de eerste stelling van de Tractatus:

1. De wereld is alles, wat het geval is.
1.1 De wereld is de totaliteit van de feiten, niet van de dingen.

Wittgenstein zegt hier: Een feit is een uitspraak over de wereld. Deze uitspraak kan zinvol of niet zinvol zijn (betekenis) en deze uitspraak kan waar of onwaar zijn, m.a.w. al of niet met de werkelijkheid overeenstemmen (empirie).
Een feit kan direct waargenomen worden of er is een theorie nodig om het feit waar te nemen zoals in de quantummechanica, m.a.w. een feit kan dus veel of weinig theorie behoeven om als feit in aanmerking te komen. In het naïef empirisme vallen feit en theorie samen. In het naïef empirisme komt men langs inductieve weg tot generalisatie van door experiment en observatie verkregen gegevens tot de zogenaamde natuurwetten. De natuurwetten liggen in de natuur verankerd : men behoeft ze alleen maar op te sporen. Dit wordt in de wetenschapsfilosofie het Realisme genoemd.

Dit logisch primaat van de ervaring wordt in het logisch empirisme (ofwel logisch positivisme) opgegeven .
In het logisch empirisme kan wetenschap niet met de ervaring beginnen, omdat in de observatiefase al gebruik gemaakt wordt van theoretische concepten( die doorwerken in selectieve perceptie etc. ). De inductieve werkwijze van het naïef empirisme wordt opgegeven . De natuurwetten worden niet meer beschouwd als verankerd in de natuur maar gaan fungeren als summary labels voor de feiten die door de onderzoeker worden gegenereerd. Wetenschap wordt zo een systeem van hier- en nu-uitspraken die direkt betrekking hebben op observaties . Algemene uitspraken of hypotheses kunnen geverifieerd worden d .m.v. inductie vanuit hier- en nu- uitspraken.
In het constructivisme ligt het logisch primaat in de theorie. Binnen het constructivisme is het doel van de wetenschappelijke methode: het vinden van een maximale overeenstemming tussen theorie en werkelijkheid. Dat houdt meer in dan het opgeven van het klassieke zoeken naar de waarheid. Veel belangrijker is dat in het constructivisme erkend wordt dat de (werkelijkheid) niet als gegeven wordt beschouwd. De (werkelijkheid) wordt opgevat als iets dat voortgebracht wordt. Dat kan dus ook inhouden dat de keuze van hulpmiddelen, die in een wetenschappelijk onderzoek worden gehanteerd hun eigen (werkelijkheid) kunnen genereren.
Een bijzondere tak van het constructivisme is het Pragmatisme, dat vooral in Amerika opkwam met James, Pierce, Dewey en later Rorty. In het Pragmatisme wordt het waarheidsbegrip helemaal achterwege gelaten en wordt die theorie (methode) geldig bevonden, waarmee je je doel bereikt.